Sturen: welke methode gebruik je wanneer?

Bij het autorijden heb je drie manieren om te sturen: met één hand, overpakken en doorgeven. Elke methode heeft voor- en nadelen. Maar weet je eigenlijk welke stuurmethode je wanneer het best toepast? Laten we ze even overlopen.

Soms moet je met één hand sturen, bijvoorbeeld als je schakelt in een bocht. Het voelt makkelijk en ontspannen. Maar er zit een keerzijde aan: met één hand stuur je vaak te veel en te snel in. Bij hogere snelheden wordt dat ronduit gevaarlijk, zeker als het wegdek glad is. Hou deze methode dus voor momenten waarop het echt niet anders kan.

Overpakken is een snelle manier van sturen die goed van pas komt bij het manoeuvreren, bijvoorbeeld bij het inparkeren. Je kunt snel en veel stuuruitslag geven, wat handig is op lage snelheid.

Het nadeel? Bij overpakken ga je al snel naar voren hangen aan het stuur. Daardoor zie je vooral het frame van je auto en verlies je het overzicht op de weg. Niet ideaal dus voor het gewone verkeer.

Doorgeven is de stuurmethode die je het vaakst zou moeten gebruiken. Je begint met een trekkende hand aan het stuur. Verdeel het stuur van 12 tot 6: je handen stoppen telkens op 12 uur en op 6 uur. Als je begint, pak je een kwart voor 12 of kwart over 12, en geef je door op 12 en op 6.

Het grote voordeel? Je blijft altijd op kwart voor 3 aan het stuur zitten. Daardoor zit je mooi achter je stoel, hou je veel zicht op de weg en kun je veilig aan het verkeer deelnemen.

Elke stuurmethode heeft zijn plaats. Met één hand sturen doe je enkel wanneer het moet, zoals bij het schakelen. Overpakken is ideaal bij langzame manoeuvres. En doorgeven is je standaardmethode voor veilig en overzichtelijk rijden in het dagelijkse verkeer.

Kies bewust, en je rijdt al een stuk veiliger.